Mohammed was zijn naam. De naam die mij een uur ondervraging bezorgde bij de Israëlische douane. Bruine ogen die je doordringend aan konden kijken met daarboven zware wenkbrauwen en daaronder kassen. Kassen die hij geërfd had van zijn moeder en waarvan bij mij de eerste contouren al vroeg zichtbaar waren en dieper lijken te worden sinds zijn dood 2 jaar geleden. Mijn vader.
Zijn dood deed me voor het eerst serieus aan mijn toekomst denken. Wat zou ik achterlaten als ik het aardse leven voorgoed zou verlaten? Mijn vader had er heel zijn leven hard voor gewerkt. Naast de materiële zaken die momenteel mij meer koppijn bezorgen dan plezier, heeft hij een gezin voortgebracht. Zijn bijdrage aan het voortbestaan van de mensheid en die van de familielijn.
Waar ik pas na zijn dood over begon na te denken, deed mijn vader dat tijdens zijn leven. Te pas en te onpas kwam het onderwerp huwelijk ter sprake. Als ik me opgetut had voor een familiefeestje (“misschien word je vandaag om de hand gevraagd”), een vroegere studiegenoot mij opbelde (“wilt hij je ten huwelijk vragen?”), hij me voor de zoveelste keer gebood mijn haar uit mijn gezicht te dragen (“zo trouwt er nooit een vent met je.”) of als een neef uit Marokko mij uitdrukkelijk naar de zin wilde maken (“nou, hij laat er geen gras over groeien dat hij wil trouwen”). Zijn dochter hoorde te trouwen. Dat ze sinds haar 18de niet meer in zijn huis woonde deed daar niets aan af.
Het is er in zijn leven nooit van gekomen. Ik heb hem niet kunnen geven wat elk ouder voor zijn kind wenst. Het begeerlijke huwelijk. Zelf trouwde hij op 29-jarige leeftijd met mijn moeder, toen hij als gastarbeider ergens in het zuiden van het land werkte. Een verantwoordelijke stabiele man die zijn taak als echtgenoot, kostwinner en vader zeer serieus nam. Hij zorgde voor de deeg op de planken en mijn moeder voor gebakken brood uit de oven. Werken en studeren was voor mijn moeder uit den boze. Mij stimuleerde hij juist wel om te studeren en te werken. Ik heb me altijd afgevraagd waar dit verschil met mijn moeder in zat. Was het mijn rol (dochter), pragmatisme (in NL andere normen en waarden) of mijn burgerlijke status (ongehuwd). Ik had altijd vrees voor het laatste. En ergens in mijn achterhoofd stond het huwelijk gelijk aan een rol achter het aanrecht. In mijn zelfanalytisch gezever noem ik dat als waarschijnlijke oorzaak voor mijn ongehuwd bestaan.
Een aantal jaren geleden zag ik een Indiase speelfilm met als thema het huwelijk. Hierin kwam een scène voor waarin een moeder op haar sterfbed ligt en de verontrustende woorden uitspreekt dat ze niet vredig kan sterven zolang haar dochter ongehuwd blijft. De moeder sterft een seconde later met een ongehuwde dochter aan haar zij.
Aan deze scène moest ik denken toen mijn moeder mij vertelde dat mijn vader net voor zijn overlijden aan zijn kinderen dacht. Ze adviseerde me te gaan trouwen, “want dat was de wens van je vader”. Twee jaar later sta ik aan zijn graf, nog steeds ongehuwd.
Wat er in de laatste momenten van zijn leven door zijn hoofd spookte weet ik niet. Dat hij aan zijn vrouw en kinderen heeft gedacht, ongetwijfeld. Hij was immers een zorgzame vader en echtgenoot die zijn gezin erg lief had.
Als de goden mij gunstig gezind zijn vind ik een man zoals mijn vader. Ik heb de psychoanalystische goeroe’s in ieder geval achter me staan. De wetenschap voorspelt de kleur ogen van mijn toekomstige partner: bruine ogen...zoals die van mijn vader.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten